Studiedeel

Algemeen
Opbouw, inhoud en samenstelling
Ateliermarkt en intekenen ateliers
Intekenen colleges en laboratoria
Atelierpresentaties
Archivering
Engelstalig onderwijs
Onderwijs aan andere onderwijsinstellingen


Algemeen
Studenten aan de Academie zijn studerende werknemers in een reguliere arbeidsverhouding. De opleidingen zijn in feite een stap in de loopbaanontwikkeling, en ondersteunen deze ontwikkeling op een aantal terreinen. Ontwerponderwijs op de Academie is in zekere zin een laboratoriumsituatie waarin bepaalde factoren uit de praktijk bewust uitgeschakeld kunnen worden. Een situatie die bij uitstek geschikt is met betrekking tot bijvoorbeeld het trainen in onderzoeksmethoden en technieken, het geconcentreerd focussen op een aantal specifieke ontwerpaspecten, ruimtelijke probleemstellingen of ontwerpstrategieën. 
Daarnaast biedt de Academie de mogelijkheid kennis over te dragen betreffende de theorie en geschiedenis van de disciplines, maar juist ook over de domeinen waarmee het werk van architecten en stedenbouwkundige raakvlakken heeft. De kennis over bijvoorbeeld cultuur, techniek, economie, mens- en maatschappijwetenschappen leent zich er goed voor om door specialisten te worden onderwezen. Bovendien biedt het de studerende werknemer de mogelijkheid om te verifiëren of de aangereikte kennis in essentie is begrepen, op de juiste wijze is beoordeeld, op welke wijze kennis in de beroepspraktijk toegepast kan worden, en hoe erover gecommuniceerd kan worden. Op de Academie zijn het namelijk dezelfde specialisten waarmee architecten en stedenbouwkundige in de praktijk geconfronteerd kunnen worden.

Opbouw, inhoud en samenstelling
De studerende werknemer geeft, in het kader van de eigen loopbaanontwikkeling, zelf inhoud aan de opleiding door een zinvolle wisselwerking tussen het studie- en praktijkdeel in te richten. Om dit proces van zelfsturing te ondersteunen wordt hem of haar voortdurend duidelijk gemaakt aan welke kwalitatieve criteria hij/zij aan het eind van de opleiding dient te voldoen en op welke wijze daarbij begeleiding wordt geboden.
Gedurende de opleiding moet er in de werkzaamheden van de student sprake zijn van een waarneembare ontwikkeling op de volgende punten:
- kunnen omgaan met de complexiteit van het ontwerpproces en de onderlinge samenhang tussen de programmatische, technische, esthetische, maatschappelijke en financiële aspecten van de opgave;
- zelfstandigheid in de adequate invulling van de diverse werkzaamheden, zoals planning en de interne contacten met ontwerpers en tekenaars;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de technische, esthetische en financiële kwaliteiten van de gemaakte (deel)ontwerpen en plannen;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de realisatie van projecten;
- (mede) verantwoordelijk zijn m.b.t. externe contacten met opdrachtgevers, instanties en bedrijven;
- (mede) verantwoordelijk zijn voor de (afstemming van) interne bedrijfsprocessen.

Het studiedeel van de opleiding bestaat uit ateliers, colleges en laboratoria. Binnen dit aanbod zijn de keuzemogelijkheden groot. Alleen in het basisjaar wordt (in principe) deels een vaststaand programma gevolgd; dit basisjaar is geïntroduceerd omdat een deel van de formeel toelaatbare toestroom niet of in onvoldoende mate aan de beginkwalificaties van de Masteropleidingen voldoet. Na dat basisjaar kunnen de studenten, in het tweede en derde studiejaar, elk half jaar uit het volledige onderwijsaanbod kiezen. Dankzij deze ‘horizontale’ organisatie van het studiedeel kan een breed pakket aan onderwijs worden aangeboden waarin veel verschillende aspecten van de beroepspraktijk aan bod komen waaruit de student een keuze moet maken. Het programma is ingericht om een individueel vraaggericht leertraject mogelijk te maken. Er is na het basisjaar tot aan het afstuderen geen jaarsysteem hetgeen inhoudt dat studenten in verschillende fasen van hun studie met elkaar het onderwijs volgen. Daarmee wordt bereikt dat:
- de leeromgeving vergelijkbaar is met werksituaties uit de beroepspraktijk, zoals ontwerp- of projectteams;
- studenten in verschillende stadia van de opleiding van elkaar te leren, doordat er een onderlinge afwisseling plaatsvindt van (van elkaar) leren en (elkaar) onderwijzen, van beoordeeld worden en beoordelen, van het zoeken naar de juiste vragen en het nemen van stelling;
- studenten getraind worden in het elkaar de maat nemen als vakgenoten (peer to peer assessment);
- studenten zich bewust worden welke competenties ze nog niet (volledig) hebben, welke vaardigheden en kennis ze missen of beheersen en welke onderdelen van het vak hun speciale interesse hebben;
- studenten worden gestimuleerd zelf welbewust een leertraject uit te zetten;
- studenten hun eigen ambitie binnen het vak leren definiëren en vervolgens vormgeven in een individueel leertraject.

Ateliermarkt en intekenen ateliers
Via de website (Programma van de opleidingen) en het ‘programmatabloid’ kunnen studenten zich voorafgaand aan het cursusjaar oriënteren op het onderwijsaanbod. Daarnaast vindt aan het begin van ieder semester een ateliermarkt plaats, waar de docenten de ateliers persoonlijk toelichten. Ze introduceren zichzelf, hun plannen en hun ambities in een competitieve en inspirerende sfeer.
In een intentieverklaring zetten de docenten hun (didactische) doelstellingen uiteen. Ze geven inzicht in de opgave - in hoe deze wordt uitgewerkt en in de gebruikte methode en strategie. De docenten maken duidelijk over welke kennis en vaardigheden de studenten bij het begin van de ateliers moeten beschikken en wat voor houding ze van de studenten verwachten. Ze gaan in op de vraag wat hun atelier bijzonder maakt (bijvoorbeeld aandacht voor een bepaalde techniek). Ook presenteren ze het programma voor excursies, workshops en lezingen. Aan de hand van deze informatie moet de student een bewuste en gemotiveerde keuze kunnen maken. Bij onvoldoende belangstelling voor een atelier (minder dan zes studenten) kan de staf van de Academie besluiten het atelier en de daaraan gekoppelde onderwijsonderdelen te laten vervallen. Op de dag van de ateliermarkt is op het studiesecretariaat uitgebreide schriftelijke informatie te krijgen.
Ten behoeve van de intekening zijn tijdens de ateliermarkt intekenformulieren aanwezig, plus een ‘stembox’ per atelier.
Op het formulier noteren de studenten:
- hun naam;
- de studierichting (architectuur of stedenbouw);
- het aantal ateliers dat de student al heeft gevolgd (dit is van belang voor een eventuele voorkeursbehandeling);
- het atelier van de eerste keuze (eventueel voorzien van een toelichting, bijvoorbeeld om aan te geven dat het atelier verplicht is, of dat het door de opleidingscoördinator is aangeraden);
- het atelier van de tweede keuze;
- het atelier van de derde keuze.
De studenten deponeren voor het verlaten van de collegezaal het formulier in de doos van hun eerste keuze.
De definitieve indeling van de ateliers vindt plaats in aanwezigheid van de directeur, één van de coördinatoren architectuur, één van de coördinatoren stedenbouw en één van de leden van het studiesecretariaat.
Bij overtekening van een atelier krijgen studenten met dringende redenen voorrang. De resterende plaatsen worden verloot. De formulieren van de studenten die worden uitgeloot, worden op de stapel van hun tweede keuze gelegd. Vervolgens wordt deze procedure herhaald voor de andere overtekende ateliers.
Van studenten die op eigen initiatief plaatsnemen in een ander atelier dan waarin zij op grond van de inloting zijn ingedeeld, wordt het werk niet beoordeeld.

Intekenen colleges en laboratoria
Dit studiejaar zal de intekening voor alle colleges en laboratoria, voorafgaand aan het begin van elk kwartaal, opnieuw digitaal plaatsvinden. Kort voordat de ‘digitale intekenlijst’ wordt geopend, krijgen alle studenten een bericht hierover van het studiesecretariaat.
Op de digitale intekenlijst is van alle programmaonderdelen waarop kan worden ingetekend, uitgebreide schriftelijke informatie beschikbaar: de zogenaamde ‘moduleomschrijving’ met daarin de inhoud (eventueel per bijeenkomst), de afrondingsopgave, de beoordelingscriteria, de leerdoelen en de aan de orde komende eindkwalificaties.
Bij colleges wordt over het algemeen geen maximum gehanteerd voor het aantal deelnemende studenten. Voor laboratoria, waar meer intensief contact met de docent gewenst is, meestal wel. In principe kunnen maximaal (afhankelijk van het soort laboratorium) 12 tot 16 studenten deelnemen aan een laboratorium. Indien bij het intekenen blijkt dat het maximum aantal deelnemers is bereikt, moet een student zich voor een ander laboratorium (of, heel soms, een ander college) intekenen; omdat het ‘volgeboekte’ laboratorium (of college) over het algemeen het volgende jaar weer aangeboden wordt, heeft de student in dat volgende jaar opnieuw de kans zich voor dat onderdeel in te schrijven. Als een student op twee verschillende laboratoria intekent, wordt hij of zij, bij over-intekening van het betreffende studieonderdeel, automatisch op de reservelijst geplaatst.

Atelierpresentaties
Tweemaal per jaar presenteren de studenten hun werk uit het atelier dat ze het voorafgaande semester hebben gevolgd. Aan het einde van het tweede semester van studiejaar 2008-2009 heeft de Academie proef gedraaid met een nieuw model voor de atelierpresentaties en -tentoonstelling: buitenshuis. De achterliggende gedachte bij het buitenshuis tentoon stellen en presenteren van atelierwerk is simpel en wordt mede ingegeven door de enigszins perifere ligging van het nieuwe ‘huis’ van de Academie: we halen het geluid van buiten naar binnen (bijvoorbeeld in de vorm van lezingen op RDM) en we brengen het geluid van binnen naar buiten (bijvoorbeeld in de vorm van de ateliertentoonstelling en -presentaties). De succesvolle try-out in ‘De Dependance’ vraagt erom dit model in studiejaar 2009-2010 voort te zetten en verder uit te bouwen.
Op de maandagavond die aan de atelierpresentatie voorafgaat, hangen de studenten hun werk op volgens de richtlijnen van de staf. Het werk is vervolgens een hele week – of zelfs langer – te bezichtigen. Op laatste dag van de ateliertentoonstelling moeten de studenten hun atelierwerk weer meenemen.
In de week van de atelierpresentaties zelf is er voor elk atelier een bijeenkomst die voor iedereen toegankelijk is. Door de atelierdocenten en door de staf worden deskundigen (bij voorkeur twee) uitgenodigd die op het atelierwerk reageren. Een lid van de staf treedt op als gespreksleider.
Meteen na afloop van de presentatie wordt het atelierwerk beoordeeld door de atelierdocenten, bijgestaan door een of meer stafleden en de uitgenodigde externe deskundigen. De docenten, in hun hoedanigheid als examinator, leggen hun beoordeling schriftelijk vast. Deze beoordeling is pas geldig als de studenten hun atelierwerk voor het archief binnen vier weken op de website van de Academie hebben geupload.
 
Archivering
Het atelierwerk van de studenten bevat een schat aan informatie. Daarom heeft de Rotterdamse Academie van Bouwkunst dat werk tot halverwege studiejaar 2006-2007 in een archief op cd-rom’s bewaard. Dat was vooral om een overzicht te hebben van de studentenplannen die op de Academie worden gemaakt. Dit overzicht is niet alleen van belang voor de Academie zelf - als materiaal om het onderwijs te evalueren - maar ook voor mensen van buiten, die willen weten wat er op de Academie gebeurt. Daarnaast is het belangrijk dat de plannen en ontwerpen van studenten beschikbaar blijven voor onderzoek. Ze kunnen bijvoorbeeld later worden gebruikt in een college of atelier met een vergelijkbaar thema. Ten slotte bewijst het archief zijn diensten bij publicaties van de Academie. Er kan worden geput uit het werk van de studenten, waarvan het materiaal zonder veel moeite kan worden achterhaald. Door studentenplannen te publiceren, krijgen het werk van studenten en de Academie meer bekendheid. (Auteursrecht zie Studentenstatuut 9.2.e)
Om het werk voor iedereen beter toegankelijk te maken, wordt het werk sinds het tweede semester van studiejaar 2006-2007 digitaal op de website gearchiveerd en is vanaf daar ook voor iedereen toegankelijk. Dat betekent ook dat vanaf dat moment het atelierwerk niet meer op een cd-rom ingeleverd hoeft te worden. Via de website van de Academie kunnen de studenten met een inlogcode hun atelierwerk met tekst (minimaal 100 en maximaal 500 worden) en afbeeldingen (5 jpg’s á maximaal 1,5 MB) uploaden. Deze zijn dan direct bruikbaar voor publicatie, presentatie en voor het web. Iedere student krijgt een handleiding voor de webarchivering van de ateliers waarin precies staat omschreven wat de voorwaarden aan de tekst en plaatjes zijn en hoe deze geupload kunnen worden. Indien het atelierwerk niet binnen vier weken na de atelierpresentaties is geupload, vervalt het eindcijfer.

Engelstalig onderwijs
Het grootste deel van het onderwijs in het binnenschools curriculum wordt gegeven en afgerond in het Nederlands. Bij een beperkt deel van het onderwijs is Engels echter de voertaal. Dit gebeurt in de eerste plaats omdat het, gezien de internationalisering van de vakgebieden en de aard van de beroepspraktijk, relevant is dat de studenten zich oefenen in het Engels (zie ook WHW artikel 7.2 Taal); in de beginkwalificaties is daarom ook de beheersing van Engels op HBO-niveau opgenomen. De tweede reden voor het aanbieden van Engelstalig onderwijs is de (beperkte) instroom van buitenlandse studenten.
Concreet wordt er in het binnenschools curriculum een pakket aan Engelstalig onderwijs aangeboden ter omvang van (ongeveer) 1 studiejaar (2 ateliers, 4 colleges en 4 kwartaal-labs of 2 semester-labs; in totaal 30 studiepunten). Hierdoor is er voor Nederlandse studenten een ruime keus uit Engelstalige onderwijsonderdelen en is het voor buitenlandse studenten mogelijk een vol jaar Engelstalig onderwijs te volgen. Van buitenlandse studenten die hier een complete studie willen volgen, wordt geëist dat ze na dat jaar de Nederlandse taal voldoende beheersen om van het volledige studieaanbod te kunnen profiteren.
In het rooster en de prospectus is aangegeven welke onderwijsonderdelen in het Engels worden aangeboden. In de ateliers, colleges en laboratoria waarin Nederlands de voertaal is, mag wel door studenten in het Engels worden gepresenteerd of het werkstuk of essay in het Engels worden ingeleverd. Bij Engelstalige colleges kan het werkstuk of essay ook in het Nederlands worden ingeleverd.

Onderwijs aan andere onderwijsinstellingen
Door de ontwikkeling van het hoger onderwijs zijn de mogelijkheden van samenwerking en/of uitwisseling op onderwijsgebied aanzienlijk toegenomen. Studenten kunnen op eigen initiatief een deel van het curriculum op een andere opleiding volgen. Dat kan elders op de Hogeschool Rotterdam zijn, maar ook op een andere academie, aan een technische universiteit of ergens in het buitenland. Het onderwijs aan een andere onderwijsinstelling duurt in principe één semester; het maximum is twee semesters. In overleg met de opleidingscoördinator wordt vastgesteld welk deel van het curriculum aan de Rotterdamse Academie voor de onderwijsactiviteiten elders kan worden ingeruild. Dit moet worden doorgegeven aan het studiesecretariaat.

Op het gebied van internationale uitwisselingen heeft de Academie goede relaties opgebouwd met architectuurscholen in onder meer Johannesburg, Istanbul, Porto, Houston, Beiroet, Sjanghai, Slovenië, Hamburg en Dublin. Ook bij de organisatie van workshops et cetera wordt gebruik gemaakt van deze relaties.

Om ook buitenlandse studenten de mogelijkheid te bieden te studeren aan de Academie van Bouwkunst Rotterdam, is in een aantal ateliers en laboratoria de voertaal Engels. Buitenlandse studenten kunnen een jaar Engelstalig onderwijs aan de Academie volgen, hetzij als gaststudent en hetzij als reguliere student. Voor gaststudenten geldt niet de voorwaarde dat zij in de praktijk werkzaam dienen te zijn. Om als buitenlandse student aan het reguliere onderwijs van de Masteropleiding deel te nemen, gelden wel de formele toelatingseisen met betrekking tot het werken in de beroepspraktijk. Daarnaast dient de buitenlandse student na het Engelstalige jaar voldoende Nederlands moeten beheersen om van het volledige onderwijsaanbod te kunnen profiteren.