Inleiding colleges

Uitgangspunten
Geschiedenis- en theoriecolleges
Disciplinegebonden colleges
Disciplineoverschrijdende colleges
Werk- en toetsvormen

De kern van zowel de stedenbouw- als wel de architectuurdiscipline wordt gevormd door de ontwerparbeid. Het ontwikkelen van ontwerpvaardigheden staat dan ook centraal binnen beide opleidingen. Om deze vaardigheden als ontwerper productief te kunnen maken, is het echter noodzakelijk ze te ondersteunen, verbreden en funderen door theoretische en vakinhoudelijke kennis; kennis van en over de historische en theoretische context, en de praktijk van beide disciplines en aanpalende disciplines. Deze kennis helpt niet alleen bij de verdere ontwikkeling van het vermogen creatief en productief te ontwerpen, maar maakt het ook mogelijk een eigen positie in te nemen binnen het vak en te kunnen reflecteren op het eigen werk, het werk van derden en de discipline als geheel vanuit een historisch en theoretisch perspectief. Een dergelijk kritisch vermogen is van essentieel belang voor beide disciplines. Het aanbod van colleges sluit aan op deze roep om kennis.

Uitgangspunten
In het aanbod van colleges is onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van kennis:
- Kennis vanuit de geschiedenis van en theorievorming binnen beide disciplines. Deze kennis komt aan de orde in de theorie- en geschiedeniscolleges.
- Kennis vanuit de praktijk of productie van de discipline: kennis die grotendeels binnen het direct praktische werkterrein zelf is ontwikkeld of bewerkt in nauwe relatie met de architectonisch of stedenbouwkundig productie. Het gaat dan bijvoorbeeld om kennis van techniek en ruimte in algemene zin, kennis van constructies, vorm, structuur, proportie en schaal, materiaal, organisatie en circulatie, kennis van typologieën, wet- en regelgeving, kennis van de effecten van kleur en licht. Kennis die als zo vanzelfsprekend geacht wordt dat er nauwelijks meer over gesproken wordt en waarbij het vocabulaire ontbreekt om erover te praten. Maar ook deze kennis heeft een context, een geschiedenis en soms ook theorie die bestudeerd kan worden om er in de praktijk veel meer profijt van te hebben. Deze kennis komt aan de orde in de disciplinegebonden colleges.
- Kennis vanuit de vakgerelateerde disciplines, zoals economie, sociologie en culturele studies: kennisvelden en werkterreinen met hun eigen beoefenaren, begrippenkader, technieken, en hun eigen discours, boeken, tijdschriften en traktaten. Deze kennis komt aan de orde in de disciplineoverschrijdende colleges.

Binnen het aanbod van colleges is een zekere mate van differentiatie aangebracht. In de eerste plaats wordt er een verschil gemaakt tussen ‘basiscolleges’ en ‘overige colleges’. De basiscolleges zijn ontwikkeld om de overgang van bachelor- naar masterniveau te vergemakkelijken en zijn, tenzij in het startgesprek anders afgesproken, verplicht voor eerstejaars studenten.
Daarnaast is er bij de, voor alle studenten verplichte, architectuur- en stedenbouwgeschiedenis en -theoriecolleges voor een opeenvolging in niveau gekozen, die ook in die volgorde moet worden doorlopen. Per niveau en onderwerp wordt een enkel college per jaar geprogrammeerd.

Daarnaast worden er nog een aantal andere uitgangspunten gehanteerd, die deels vernieuwd, versterkt of gewijzigd zijn ten opzichte van het voorgaande onderwijsjaar:
- Er bestaat een grote mate grote van keuzevrijheid voor de studenten binnen het theorieonderwijs: studenten kiezen voor specifieke collegereeksen vanuit het perspectief van de eigen ontwikkeling en worden daarbij ondersteund door advies en monitoring.
- Er bestaat een grote mate van overlap tussen het aanbod voor architectuur- en stedenbouwstudenten.
- Om studenten beter voor te bereiden op het toenemende belang van de Engelse taalvaardigheid voor de beroepsuitoefening en om het Academieonderwijs voor buitenlandse studenten te ontsluiten, wordt een beperkt aantal collegereeksen in het Engels gegeven: in elk kwartaal één serie. De afrondingen van deze serie mogen in het Engels worden ingeleverd, maar dit is geen verplichting.
- Om binnen de ontwikkeling van theoretische kennis de mogelijkheid tot verdieping te creëren, kan elke student sinds studiejaar 2007-2008 gedurende de studie maximaal vier 1-puntscolleges verzwaard, d.w.z. voor 2 studiepunten, afronden. Verzwaard afronden wil zeggen dat voor een zwaardere eindopdracht wordt gekozen: een opdracht die circa 28 uur meer tijd kost dan de oorspronkelijke opdracht.
- Binnen de disciplineoverschrijdende colleges (theorieonderwijs over aangrenzende vakgebieden) wordt de relatie van die aangrenzende disciplines met architectuur en stedenbouw (en ontwerpen) expliciet aan de orde gesteld.
- Met ingang van dit studiejaar is het aanbod binnen de disciplineoverschrijdende en disciplinegebonden colleges uitgebreid met de collegereeksen ‘Wisselwerking Planologie en Stedenbouw’, ‘Ontwerpend Detailleren’, ‘Ontwerpend Onderzoek’, ‘Interieurarchitectuur’ en ‘Maatschappelijke Actualiteiten’. Daarnaast zijn een aantal bestaande colleges inhoudelijk, maar ook in werk- en/of toetsvorm vernieuwd.
- Een deel van het aanbod van disciplineoverschrijdende colleges wordt 1x per 2 jaar geprogrammeerd; deze ingreep maakt zowel de verruiming van het aanbod als extra keuzevrijheid (en daarmee een bewustere keuze voor de eigen professionele profilering) mogelijk. De programmering van stedenbouwkundige disciplinegebonden colleges 1x per 2 jaar heeft vooral te maken met het beperkte aantal studenten stedenbouw.
- Studenten van de Academie kunnen (waarschijnlijk) vanaf studiejaar 2009-2010 theorieonderwijs volgen aan de Masteropleidingen Interior Design, Integraal Ontwerp Infrastructuur en Product Design. Bij het op de website zetten van deze prospectus waren de voorbereidingen hier omtrent nog niet afgerond; aanvullende informatie wordt nog verstrekt.

Geschiedenis- en theoriecolleges
Kennis vanuit de beschouwing van de geschiedenis en theorievorming van beide disciplines staat op de agenda van de reeksen architectuurgeschiedenis en –theorie en stedenbouwgeschiedenis en –theorie. De centraal gestelde kennisoverdracht heeft als doel de continuïteit van de beide disciplines aan de orde te stellen als horizon voor de eigen praktijk en productie en het de student mogelijk te maken een eigen positie binnen het vak te kiezen op basis van het reflectieve kader dat de collegereeksen bieden. Een belangrijk ‘operationeel’ verschil tussen de geschiedenis- en theoriereeksen is dat de geschiedenisreeksen van de geschiedenis van de architectonische en/of stedenbouwkundige productie starten en daar vervolgens de geschiedenis van de theorievorming, waar nodig, aan relateren, terwijl de theoriereeksen van het theoretisch corpus van beide disciplines starten en daar vervolgens, waar gewenst, de geschiedenis van de disciplines (in de zin van zowel theorievorming als productie) mee in verband brengen.

Disciplinegebonden colleges
Binnen de disciplinegebonden collegereeksen staat de praktijk of productie van de discipline centraal. Van daaruit wordt een model beschouwd dat een theoretisch kader voor de discipline vormt. Kortom, er wordt vanuit het ontwerpen en het ontwerp gekeken naar de theorie van het vak zelf. Een beperkt deel van het aanbod wordt 1x per 2 jaar aangeboden.

Disciplineoverschrijdende colleges
Disciplineoverschrijdende kennis is die kennis die van belang is voor het arbeidsterrein van de ontwerper (architect of stedenbouwkundige) maar grotendeels wordt ontwikkeld in andere en autonoom (geworden) disciplines als kunstgeschiedenis, cultuurtheorie, filosofie en sociologie, eigen kennisvelden en werkterreinen met hun eigen beoefenaren, begrippenkader, technieken, en hun eigen discours, boeken, tijdschriften en traktaten. Omdat studenten middels deze colleges een specifieke focus kunnen aanbrengen in hun ontwikkeling, lenen ze zich er bij uitstek voor 1x per 2 jaar aangeboden te worden. Dat geldt echter niet voor een drietal disciplineoverschrijdende collegereeksen die een vorm van disciplineoverschrijdende kennis aan de orde stellen die volgens ons, zoals ook blijkt uit het (herijkte) profiel, zo belangrijk is dat die reeksen elk jaar dienen te worden aangeboden:
- Sociologie
- Economie
- Culturele studies

Werk- en toetsvormen
Bij het overdragen van kennis ten bate van de ontwikkeling van de student tot architect of stedenbouwkundige gaat het niet zozeer om de reproductie van kennis, maar om het betekenisgericht kunnen verwerken van kennis. Immers, de betekenis voor de ontwerppraktijk staat centraal binnen een ontwerpopleiding. Daarnaast stelt de Academie zich als doel middels haar herijkte profiel om ontwerpers op te leiden die zichzelf kunnen positioneren binnen de hedendaagse beroepspraktijk. Dit betekent dat een kritische, onderzoekende houding ontwikkeld moet worden en dat metacognitieve vaardigheden getraind moeten worden die de student in staat stellen vanuit een referentiekader van kennis over de eigen en aanpalende discipline(s).
De ontwikkeling van deze kritische vermogens wordt gestimuleerd door werk- en toetsvormen die gericht zijn op beheersing van kennis als kader voor reflectie.
Er is een differentiatie aangebracht binnen de werkvormen van het collegeprogramma. Een aantal colleges wordt gegeven in de vorm van hoorcolleges en getoetst door middel van tentamens, papers of essays. Daarnaast worden hoor- en discussiecolleges (vaak met gastsprekers) georganiseerd. Verdere differentiatie in werkvormen binnen het onderwijsprogramma vindt plaats door het creëren van een werkvorm die het midden houdt tussen laboratoria en colleges. Hierbij gaat het om programmaonderdelen waarin zowel theoretische kennis wordt overgedragen als de vaardigheid wordt ontwikkeld die kennis toe te passen. Een deel van deze programmaonderdelen (met een iets zwaarder accent op het overdragen van kennis) wordt ondergebracht in het theorieonderwijs (onder de noemer ‘werkcolleges’: ‘Typologieën’ en ‘Ontwerpend Onderzoek’), een ander deel (met een iets zwaarder accent op het ontwikkelen van vaardigheden) in het vaardighedenonderwijs (onder de noemer ‘theorielabs’: ‘Vormstudie’. ‘Ontwerpanalyse’ en ‘Materialisatie’).
Omdat de Academie de nadruk legt op het betekenisgericht verwerken van kennis, ontbreekt het tentamen in conventionele zin als toetsvorm. Binnen deze toetsvorm ligt de nadruk immers te eenzijdig op het reproduceren van kennis. In plaats daarvan wordt binnen enkele colleges gekozen voor een toets in de vorm van een paper of essay. Naast het vermogen tot het beschouwen en/of onderzoeken van kennis binnen een groter kader, toetst een paper of essay ook het vermogen tot uitdrukking geven van de resultaten van deze beschouwing of onderzoek in geschreven tekst. Impliciet toetst het daarmee ook schrijfvaardigheid. Hoewel schrijfvaardigheid van belang is, wil de Academie niet enkel en alleen de nadruk leggen op deze vaardigheid. Immers, mondelinge uitdrukkingsvaardigheden of visuele uitdrukkingsvaardigheden zijn evenzoveel belangrijk. Om die reden is gekozen voor een bredere variatie aan toetsvormen binnen het collegeprogramma. Deze toetsvormen kunnen helder benoemd worden.
In de geschiedenis- en theoriecolleges vormt de geschiedenis of de theorie van de discipline haar reflectieve kader. De toetsvorm – hetzij in een reflectieve paper of anderszins – toetst deze beschouwende vaardigheid vanuit een kader van kennis. Daarbij kan worden aangetekend dat verdieping van de collegestof bij de niveau 1 colleges middel tot stellingname binnen het vak is, en bij niveaus 2 en 3 verbredende reflectie middel is.
De disciplinegebonden colleges worden idealiter niet met een paper of essay als toetsbaar eindproduct afgerond , maar met eindproducten die gerelateerd zijn aan de praktijk. Daarbij kan gedacht worden aan realistische praktijkproducten zoals planvoorstellen, offertes, programma’s, maar ook producten die van de praktijk afgeleid kunnen zijn zoals foto- of beeldessays, kaartbeelden et cetera.
De disciplineoverschrijdende colleges relateren de kennis en inzichten van aangrenzende disciplines aan de producten en praktijk van de eigen discipline. De  toetsing van deze groep colleges sluit aan op het zoeken naar deze overlap. Deze vorm van reflectie kan in verschillende vormen plaatsvinden.