De opleidingen tot architect en stedenbouwkundige
Uitgangspunten, doelstellingen en eisen
Worteling in de beroepspraktijk
Ontwerpvakmanschap
Een kritische, onderzoekende houding
Bewust gebruik kunnen maken van de overlap met de aangrenzende disciplines
Maatschappelijk bewustzijn: context en consequenties van het ontwerpend handelen
Opleiding tot architect in relatie tot het beroepsbeeld
Opleiding tot stedenbouwkundige in relatie tot het beroepsbeeld
Opleidingscultuur
Rotterdam
Uitgangspunten, doelstellingen en eisen
De Rotterdamse Academie van Bouwkunst verzorgt Masteropleidingen tot architect en tot stedenbouwkundige. Studenten worden opgeleid tot in de beroepspraktijk gewortelde, vakbekwame en maatschappelijk bewuste architecten en stedenbouwkundigen die zich positioneren binnen de hedendaagse beroepspraktijk door:
- een kritische, onderzoekende ontwerphouding,
- kennis te hebben en bewust gebruik te maken van de mogelijkheden die het instrumentarium van de aangrenzende disciplines biedt bij het tegemoet treden van de eigen opgaven en
- een helder besef van de maatschappelijke en ruimtelijke consequenties van hun ontwerpend handelen.
Deze uitgangspunten en doelstellingen zijn ook terug te herkennen in de eindkwalificaties van de opleidingen:
- De opleidingen van de Academie sluiten aan op de wensen en behoeften van het internationale (Europese Architectenrichtlijn) en nationale werkveld (Wet op de architectentitel, WAT).
- Afgestudeerden van de Academie kunnen zich inschrijven als architect of stedenbouwkundige in het Architectenregister en de internationaal erkende titel MArch of MUrb voeren. Zij hebben binnen de EU het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden op het gebied van de architectuur of stedenbouw.
Met deze uitgangspunten wordt bereikt dat de afgestudeerden van de Academie in een nationale en internationale context hun beroep kunnen uitoefenen. Afgestudeerden mogen de titel Master in Architecture (MArch) of Master of Urbanism (MUrb) voeren. Het diploma geeft recht op inschrijving in het register van Stichting Bureau Architectenregister (SBA) te Den Haag als architect of stedenbouwkundige.
Tegelijkertijd biedt de WAT voldoende ruimte voor de profilering van de Academie met betrekking tot haar visie op het beroepsbeeld, het werkveld en de opleidingen: in de opleidingen van de Academie ligt de nadruk op het ruimtelijk vormgevende vermogen van de architect en de stedenbouwkundige. Dit is een bewuste keuze en niet alleen het gevolg van het feit dat één ‘school’ nooit het gehele veld van architectuur en stedenbouw kan bestrijken. Het ruimtelijk vormgevende vermogen van architecten of stedenbouwkundigen is door zijn synthetiserend karakter precies het specialisme dat zich onderscheidt van de meer generaliserende taken en functies in de beroepsuitoefening. Het is het eigenlijke vak van de architect of stedenbouwkundige.
Tevens dienen afgestudeerden van de Academie in staat te zijn om het ontwerpen in te zetten als onderzoeksinstrument (naast het ontwerpen als middel om een eenduidig ontwerpresultaat te produceren). Enerzijds gaat het daarbij om het gebruik maken van het ontwerpinstrumentarium ten behoeve van de analyse- en vooronderzoeksfase in het ontwerpproces. Maar minstens zo belangrijk is de vaardigheid in het ontwerpend onderzoek, waarbij vanuit een actuele, specifieke vraag (een concrete vraag uit de praktijk of een vraag die ontleend is aan een interpretatie en beoordeling van actuele maatschappelijke en ruimtelijke processen, ontwikkelingen en trends), middels ontwerpverkenningen, toekomstige mogelijkheden onderzocht en inzichtelijk gemaakt, bredere opgaven geformuleerd, ambities in beeld gebracht en/of specifieke oplossingen of toekomstscenario’s gegenereerd worden: het ontwerpend onderzoek als mogelijkheidszin. In het ontwerpend onderzoek kan zowel gefocust worden op een eindresultaat als op het ontwikkelen van strategische interventies.
Naast de vakinhoudelijke expertise hanteert de Academie ook een aantal uitgangspunten die betrekking hebben op het functioneren als professional binnen een maatschappelijke context:
- Afgestudeerden van de Academie zijn in staat zichzelf te ontwikkelen in de beroepsuitoefening, dat wil zeggen dat zij beschikken over leervermogen, kunnen reflecteren op het eigen handelen en over het vermogen beschikken hun eigen loopbaan te sturen.
- Afgestudeerden van de Academie zijn in staat om een eigen bijdrage aan de ontwikkeling van het beroep te leveren.
- Afgestudeerden van de Academie zijn in staat om zelfstandig een oordeel te vellen en daarbij rekening te houden met maatschappelijke en ethische verantwoordelijkheden, die zijn verbonden aan het toepassen van de eigen kennis en oordelen.
Door de combinatie van de voorafgaande uitgangspunten wordt bereikt dat afgestudeerden van de Academie in staat zijn hun eigen vakinhoudelijk expertise als professional in te zetten in het planvorming- en uitvoeringsproces en in verband te brengen met de verantwoordelijkheid die zij bij het uitoefenen van hun beroep hebben ten opzichte van de samenleving. Het werk van architecten en stedenbouwkundigen heeft een sterk strategische component. In de opleidingen ligt daarom de nadruk op het kennismaken met het brede scala van ontwerpopgaven, op het ontwikkelen van de ontwerpattitude en ontwerpmiddelen en op het leren innemen van een standpunt in het vakdebat.
Worteling in de beroepspraktijk
Beide Masteropleidingen aan de Academie van Bouwkunst leiden bewust en expliciet op voor een beroep: architect en stedenbouwkundige. Voor de Staf van de Academie impliceert dat onder andere dat de opleidingen een intieme relatie met het werkveld dienen aan te gaan en dat de onderwijsprogramma’s gebaseerd zijn op een grote mate van interactie tussen theorie en praktijk. Feitelijk zouden de opleidingen aan de Academie beschreven kunnen worden als onderdelen van de verschillende beroepspraktijken.
De worteling in de beroepspraktijk komt tot uiting in het concurrency-model dat de Academie hanteert, waarbij het werken in de praktijk in een reguliere arbeidsverhouding gecombineerd wordt met studie. Dit onderwijsmodel is gebaseerd op het uitgangspunt dat de eindkwalificaties van de opleidingen tot architect en stedenbouwkundige worden verwezenlijkt via twee parallelle trajecten die continu met elkaar in verband worden gebracht: het binnenschools curriculum, of studiedeel, en het werk en beroepspraktijk van de student, of praktijkdeel. Binnen die opzet wordt echter ook in het studiedeel continu de relatie met de beroepspraktijk gelegd: middels de opgaven en thema’s én middels de vele gastdocenten. De Academie biedt dan ook opleidingen voor ontwerpers door ontwerpers, waarbij het concurrency-model doelbewust functioneert als netwerk waarin onderwijs en beroepspraktijk in elkaar overlopen in de persoon van de studerende werknemer, de docent, de visiting critic, de begeleider en de opleidingscoördinator.
Ontwerpvakmanschap
Het ontwerpen vormt de kern van de Masteropleidingen tot architect en stedenbouwkundige aan de Academie van Bouwkunst Rotterdam: aan de basis van de opleidingen staat het ontwikkelen van creatieve, op het bereiken van een synthese gerichte, ruimtelijke ontwerpvaardigheden die, volgens de Staf van de Academie, de basiscompetenties zijn en blijven die voor het beroep van architect en stedenbouwkundige noodzakelijk zijn. Deze basiscompetenties dienen natuurlijk wel ingebed te zijn in een vakmatig bewustzijn dat geschraagd wordt door kennis en inzicht van/in de historische en actuele vakmatige ontwikkelingen en veranderingen.
De ontwikkeling van een dergelijk ontwerpvakmanschap staat dan ook aan de basis van de onderwijsprogramma’s van beide opleidingen. Dit vakbekwame ontwerpen komt, dankzij het concurrency-model, op twee manieren aan de orde: middels het praktijk- en studiedeel.
In het praktijkdeel – de helft van de opleidingen in studiebelasting en punten – staat het ontwikkelen van ontwerpende vakbekwaamheid centraal. Gedurende de vier jaar dat de student aan de Academie werkzaam is in een reguliere beroepspraktijk, in de daadwerkelijke beroepsuitoefening, ontwikkelt hij/zij zich middels het meermaals doorlopen van het volledige ontwerpproces (en het uitvoerings- of implementatieproces), in een gestaag toenemende mate van complexiteit van de ontwerpopgaven en met een steeds verder toenemende, inhoudelijke en procesmatige verantwoordelijkheid, tot een vakbekwame ontwerper.
Die ontwikkeling wordt stelselmatig ondersteund door en ontwikkeld in relatie tot de parallelle ontwikkeling van de ontwerpvaardigheden in het studiedeel, het binnenschools curriculum – de andere helft van de opleidingen. Gedurende de vier jaar studie in het kader van het binnenschools curriculum krijgt de ontwikkeling van de ontwerpvaardigheden, en met name ook de verdieping ervan, gestalte door het laboratoriumkarakter van het ontwerponderwijs: in de ontwerpateliers, en ook in het afstudeerproject, worden specifieke aspecten of onderdelen van het ontwerpinstrumentarium en/of het kennislichaam van de discipline en/of specifieke, steeds verschillende ontwerpmethoden, -benaderingen en/of -houdingen expliciet aan de orde gesteld, terwijl andere in meer of mindere mate ‘uit’ worden gezet.
De ontwikkeling en verdieping van het ontwerpvakmanschap en het vakmatig bewustzijn worden continu ondersteund en gevoed door het theorie- en vaardighedenonderwijs (colleges en labs).
Een kritische, onderzoekende houding
Architecten en stedenbouwkundigen dienen te beschikken over een kritische, onderzoekende houding. Dat is in de eerste plaats nodig teneinde ‘de vraag achter de vraag’ te kunnen identificeren en zodoende de opgave in een productieve ruimtelijke probleemstelling en in een architectonisch(e) of stedenbouwkundig(e) strategie, concept en ontwerp te kunnen vertalen. Maar ook om daadwerkelijk in staat te zijn de synthetiserende en creatieve kracht van het ontwerp in te zetten ten behoeve van het formuleren en tot stand brengen van ruimtelijke en programmatische condities waarbinnen de gewenste toekomstige werkelijkheid zich maximaal en duurzaam kan ontplooien. Daarnaast is een dergelijke houding gewenst vanwege de uit de maatschappelijke en ruimtelijke betekenis en effecten van ontwerpinterventies voortvloeiende (hernieuwde) vraag naar en aandacht voor de relatie tussen onderzoek en ontwerp. En tenslotte is ze cruciaal om middels de specifieke onderzoekskwaliteiten van de ontwerpende disciplines daadwerkelijk een relevante bijdrage te kunnen leveren aan het oplossen van een veelheid aan actuele maatschappelijke, beroepsrelevante en vakmatige problemen.
Het ontwikkelen van een kritische, onderzoekende ontwerphouding krijgt primair gestalte in het ontwerponderwijs in het kader van het studiedeel. Dat gebeurt door de formulering van de ontwerpopgave en de eisen die aan het ontwerpproces en de producten worden gesteld en door de selectie van expliciet verschillende (in de beroepspraktijk opererende) docenten met hun specifieke, in veel gevallen uitgesproken ontwerp- en/of onderzoeksmethoden, -benaderingen en/of -houdingen waarmee de studenten bewust geconfronteerd worden en waartoe ze zich moeten verhouden. Daarnaast gebeurt dat door in alle ontwerpateliers (en het afstudeerproject) specifieke, op de opgave toegesneden vormen van ontwerpend onderzoek te agenderen. En ook in dit geval wordt de middels het ontwerponderwijs geconditioneerde ontwikkeling van de ontwerphouding ondersteund door specifieke onderdelen van het theorie- en vaardighedenonderwijs en steeds opnieuw gerelateerd aan de ontwikkeling tot ontwerper binnen een beroepspraktijk die eenzelfde houding meer en meer vereist.
Tenslotte krijgt de ontwikkeling van een kritische en onderzoekende houding gestalte middels de continue ontwikkeling van het zelfreflecterend en zelfsturend vermogen van de student. Dat gebeurt door de stelselmatige stimulering van reflectie op het ontwerpend handelen en de ontwerpproductie van de student zelf. Maar ook door de in het studiedeelcurriculum structureel opgenomen (en verder uit te breiden) keuzevrijheid van de student. De grote mate van – begeleide – keuzevrijheid binnen de onderwijsprogramma’s van de Academie van Bouwkunst Rotterdam, onder andere geformaliseerd in het horizontale curriculum, stimuleert de studenten aan de Academie zich uit te spreken over hun ontwikkelingsrichting en, van daaruit, hun houding en positie binnen het vakgebied te definiëren.
Bewust gebruik kunnen maken van de overlap met de aangrenzende disciplines
De ‘traditionele’ rollen van architect en stedenbouwkundige zijn de laatste jaren steeds meer gaan vervagen en gaan overlopen in de rol van de experts binnen de aangrenzende disciplines: de overlappen tussen beide disciplines en de aangrenzende disciplines hebben zich feitelijk ontwikkeld tot een reeks ‘inter-disciplinaire overgangszones’ waarop zowel architecten als stedenbouwkundigen in een (steeds groter wordend) deel van de opgaven binnen de hedendaagse beroepspraktijk expliciet worden ondervraagd.
Dit speelt in de eerste plaats in het overgangsgebied tussen architectuur en stedenbouw. Opdrachtgevers gaan ervan uit dat vertegenwoordigers van beide vakgebieden beschikken over de relevante kennis van en inzicht in het ‘aangrenzende’ vakgebied die noodzakelijk is om op die ‘tussenschaal’ te kunnen opereren. Dat blijkt zeker niet altijd een juiste veronderstelling. De Staf van de Academie acht het dan ook noodzakelijk (en haar verantwoordelijkheid) ervoor te zorgen dat aan de Academie afgestudeerde architecten en stedenbouwkundige die noodzakelijke basiskennis van en inzicht in respectievelijk de stedenbouw en de architectuur ontwikkeld hebben en zodoende in staat zijn overlap en het wederzijdse profijt van de ontwerpende disciplines architectuur en stedenbouw bij het tegemoet treden van ontwerpopgaven maximaal uit te buiten.
Maar dezelfde kwestie speelt evenzeer in de overlapgebieden met andere disciplines. Voor architectuur gaat het dan met name om interieurarchitectuur en voor stedenbouw om landschapsarchitectuur, planologie en (het ontwerpen van) infrastructuur. In het licht van de optredende grensvervagingen tussen architectuur en stedenbouw enerzijds en die aangrenzende disciplines anderzijds is het noodzakelijk dat architecten en stedenbouwkundige over een stevige dosis basiskennis van en inzicht in die aangrenzende vakgebieden beschikken.
Omdat de Academie zelf Masteropleidingen tot architect en tot stedenbouwkundige aanbiedt, is het relatief eenvoudig de noodzakelijke basiskennis van en inzicht in respectievelijk de stedenbouw (voor studenten architectuur) en de architectuur (voor studenten stedenbouw) te programmeren in het studiedeel teneinde de overlap en het wederzijdse profijt van de ontwerpende disciplines architectuur en stedenbouw bij het tegemoet treden van ontwerpopgaven maximaal uit te buiten. Dit gebeurde tot op heden al veelvuldig bij colleges, laboratoria en, in beperktere mate, bij de zogenaamde combinatieateliers (waarin beide disciplines in samenhang aan de orde werden gesteld). Met name op het gebied van het ontwerponderwijs zal die samenhang tussen en overlap van architectuur en stedenbouw vanaf komend studiejaar een veel volwaardiger onderdeel van het studiedeel worden.
Om invulling te geven aan de noodzaak ook de overlap met een aantal andere aangrenzende vakgebieden te agenderen, zal de Academie van Bouwkunst Rotterdam gaan samenwerken met de Masteropleiding Interior Design aan de Willem de Kooning Academy (teneinde de overlap tussen architectuur en interieurarchitectuur aan de orde te kunnen stellen), de (nieuwe, in september 2009 startende) Post HBO-/Masteropleiding Integraal Ontwerp Infrastructuur van de Hogeschool Rotterdam (teneinde de overlap tussen stedenbouw en het ontwerpen van infrastructuur aan de orde te kunnen stellen) en de (eveneens nieuwe, in september 2009 te starten) Masteropleiding Product Design, ook van de Hogeschool Rotterdam. Die vormen van samenwerking zullen er naar verwachting in ieder geval toe leiden dat de studenten van de afzonderlijke opleidingen een deel van (met name) het (ontwerp)onderwijs aan de andere opleidingen kunnen volgen. De met deze samenwerking niet aan de orde gestelde overlap tussen stedenbouw en landschapsarchitectuur en planologie zal in het curriculum van de Academie bewust en expliciet geagendeerd worden.
Tenslotte zal er ook in het praktijkdeel meer ruimte geboden worden kennis en vaardigheden op de drempelzone tussen architectuur en stedenbouw enerzijds en de aangrenzende vakgebieden anderzijds te ontwikkelen.
Maatschappelijk bewustzijn: context en consequenties van het ontwerpend handelen
Architecten en stedenbouwkundigen dienen kennis van en inzicht in maatschappelijke (= sociale, economische, culturele en politieke) ontwikkelingen, trends, wensen en noden te bezitten, alsmede van/in de vakmatige ontwikkelingen en veranderingen die (mede) daar uit voortvloeien. Dat is noodzakelijk teneinde als architect of stedenbouwkundige daadwerkelijk een bijdrage te kunnen leveren aan het formuleren en tot stand brengen van ruimtelijke en programmatische condities waarbinnen de maatschappelijke werkelijkheid zich maximaal en duurzaam kan ontplooien. Die dynamische werkelijkheden vormen immers de context waarbinnen de opgave en het vanuit die opgave ontwikkelde ontwerp gepositioneerd moeten worden en zijn daarmee vanzelfsprekend en noodzakelijkerwijs onderdeel van de ontwerpopgave.
Alleen maatschappelijk en vakmatig bewustzijn als input of context voor het ontwerpproces is echter niet voldoende. Juist vanwege het feit dat de mens dagelijks (in de directe woon-, leef- en werkomgeving, in de steden en in het landschap) wordt geconfronteerd met de resultaten van het vormgeven van de ruimte, dient dat maatschappelijk en vakmatig bewustzijn ook heel expliciet gehanteerd te worden als basis bij het ontwikkelen én operationaliseren van een helder en sturend besef van de maatschappelijke en ruimtelijke betekenis en effecten van ontwerpen en ontwerpinterventies.
De ontwikkeling van het maatschappelijk bewustzijn en, van daaruit, van een helder besef van de maatschappelijke en ruimtelijke consequenties van het ontwerpend handelen krijgt eveneens primair gestalte in het ontwerponderwijs. Dat gebeurt in de eerste plaats (opnieuw) door de formulering van de ontwerpopgave en de eisen die aan het ontwerpproces en de producten worden gesteld expliciet in het licht van de maatschappelijke context van de opgave en de maatschappelijke en ruimtelijke effecten van een mogelijkerwijs uit de opgave voorvloeiend ontwerp te plaatsen. Daarnaast speelt de selectie van docenten ook hier een grote rol en dan met name de door de docent(en) in te brengen ontwerpmethode, -benadering en/of –houding. Tenslotte wordt de ontwikkeling van een uitgesproken maatschappelijk en vakmatig bewustzijn ondersteund door specifieke onderdelen van het theorie- en vaardighedenonderwijs en wordt ze steeds opnieuw gerelateerd aan de ontwikkeling tot ontwerper binnen het praktijkdeel die steeds vaker een productief gemaakte maatschappelijk en vakmatig bewustzijn vereist.
Opleiding tot architect in relatie tot het beroepsbeeld
Traditioneel reguliere opgaven zoals woningbouw en utiliteitsbouw vormen nog altijd de hoofdmoot van de opdrachtportefeuille van architecten. Van hen wordt verwacht dat ze kennis hebben van dergelijke opgaven en dat ze een ontwerptraject kunnen begeleiden van schetsontwerp tot oplevering van het gebouw. Architecten dienen daarom kennis te hebben of alle facetten te kunnen traceren die het ontwerp en de realisatie ervan bepalen: kennis van bouwregelgeving tot gebouwtechniek en kennis van kostenmanagement tot stedenbouwkunde. Ze moeten lange en vaak complexe processen beheersen.
Hoewel dit beroepsbeeld redelijk stabiel is, doen zich in de beroepsuitoefening een aantal cruciale ontwikkelingen voor die om aanpassing van dit beeld vragen. De eerste betreft de verantwoordelijkheden van de architect in het ontwerpproces. Die worden kleiner, onder meer doordat de nadruk binnen het architectenbureau steeds meer komt te liggen op het begin van het ontwerpproces. Bovendien besteden opdrachtgevers de bouwvoorbereiding en bouwuitvoeringsfasen regelmatig uit aan gespecialiseerde bureaus. Dit gebeurt vaak uit economische motieven, maar er wordt ook wel gezegd dat dit het gevolg is van de afnemende bouwtechnische competenties van de architect. Gebrek aan technische scholing zou daar debet aan zijn. De Academie is van mening dat bouwtechnische competenties tot de kerncompetenties van de architect behoren. Ze zijn noodzakelijk om kwalitatief hoogstaand te kunnen ontwerpen en bouwen.
In de tweede plaats worden, vaak uit economische overwegingen, opgaven groter en complexer. Dit stelt hogere eisen aan het procesmanagement van een project binnen het architectenbureau. Maar ook de aanbesteding van dergelijke projecten gebeurt steeds vaker op basis van een ander kader, waarin kwaliteitscontrole een grote rol speelt. Publieke opgaven van redelijke omvang worden Europees aanbesteed, hetgeen ook leidt tot stringentere selectie-eisen. De tendens is in feite dus een grotere regulering van de vakuitoefening.
Architecten worden regelmatig ingeschakeld voor kleinere stedenbouwkundige opgaven, waar vervolgens een deel van de gebouwen door het bureau verder wordt uitgewerkt. Hoewel deze opgaven vaak deel uitmaken van een grotere stedenbouwkundige visie of structuurplan, vraagt het wel degelijk kennis van en visie over het stedenbouwkundige raamwerk.
Een laatste ontwikkeling die van invloed is op de beroepsuitoefening van architecten is de toenemende diversiteit in de beroepspraktijk. Hierboven werden de werkzaamheden van het gros van de architectenbureaus beschreven, maar er bestaan ook architectenbureaus die zich onderscheiden door middel van een afdeling research & development, die zich beperken tot haalbaarheidsstudies of die zich specialiseren (bijvoorbeeld in duurzaamheid of gebouwtechniek).
Bij het ontwerp- en bouwproces zijn veel specialisten betrokken. Dit vereist in de eerste plaats een grote communicatievaardigheid van architecten. Ook moeten zij zich kunnen verstaan met alle informatie die op hen afkomt. Zij zijn degenen die tot een ruimtelijke synthese dienen te komen en die de consistentie tussen de oplossingen van de verschillende adviseurs kunnen controleren.
Opleiding tot stedenbouwkundige in relatie tot het beroepsbeeld
De kerntaken van stedenbouwkundigen zijn samen te vatten als: het creëren van ruimtelijk-programmatische condities waarbinnen de continu veranderende maatschappelijke werkelijkheid zich maximaal kan ontplooien. Het ontwerp speelt daarbij een cruciale rol, omdat hiervoor onderzoek nodig is naar de toekomstige mogelijkheden waarop de schaarse, door vele partijen geclaimde ruimte gebruikt kan worden. Het ontwerp kan dit zichtbaar en inzichtelijk maken. De stedenbouw als discipline van mogelijkheidszin genereert nieuwe ideeën over de relaties tussen de verschillende gebieden binnen het stedelijk veld, tussen individu en gemeenschap en tussen de overheid en andere partijen.
Binnen het stedenbouwkundige werkveld zijn twee hoofdtypen van opgaven te onderscheiden. Het eerste hoofdtype betreft het formuleren van stedenbouwkundige visies en/of strategieën via de weg van het ‘ontwerpend onderzoek’. Stedenbouwkundigen brengen in een breed planproces ontwerpverkenningen en ambities in beeld, en formuleren opgaven. Het tweede hoofdtype heeft betrekking op het ontwikkelen van stedenbouwkundige plannen. In het bijzonder gaat het om het definiëren van de relatie tussen de stadsplattegrond, het programma, de openbare ruimte en de architectuur. Voor beide type opgaven moet nauw worden samengewerkt met andere disciplines, zoals architectuur, landschapsarchitectuur, planologie, verkeerskunde, economie en de sociale wetenschappen.
De strategische en de tactisch-operationele stedenbouwkundige activiteiten kennen, naast de vele verschillen, in ieder geval één belangrijke overeenkomst: ze richten zich steeds op een bewerking van de bestaande stedelijke werkelijkheid. Het is daarom noodzakelijk dat stedenbouwkundigen kennis hebben van de veranderingsprocessen die sturend zijn binnen het hedendaagse stedelijke territorium. Zij moeten hun ontwerpend vermogen adequaat kunnen afstemmen op het totaal aan territoriale omstandigheden: het binnenstedelijke gebied, de periferie en het (verstedelijkend) landschap. Kenmerkend voor stedenbouwkundigen is dat zij door de verschillende relevante schaalniveaus heen ontwerpen, vanuit het besef dat de hedendaagse stedenbouwkundige ontwerpactiviteit – en in meer algemene zin het stedenbouwkundig denken – zich op de verschillende schaalniveaus tegelijkertijd dient te begeven.
Opleidingscultuur
Op de Academie staat de persoonlijke ontwikkeling van studenten als beginnend architect of stedenbouwkundige centraal. De studenten hebben een grote mate van keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid in het bepalen van de richting in het vak en de beroepsuitoefening. De studenten worden getraind hun eigen ontwikkeling van beroepsvaardigheden en studievoortgang te bewaken, te sturen én – conform het Masterniveau – (mede) ook zelf te toetsen. Zo wordt de basis gelegd voor het werken aan en reflecteren op de eindkwalificaties van de opleiding.
Het studiedeel aan de Academie in Rotterdam heeft als bijzonder kenmerk dat het grotendeels horizontaal georganiseerd is. Er is met uitzondering van het basisjaar geen jaarsysteem. Dat houdt in dat jongerejaarsstudenten en ouderejaarsstudenten met elkaar het onderwijs volgen. Dit heeft als belangrijk voordeel dat studenten in verschillende stadia van de opleiding van elkaar kunnen leren. De Academie streeft daarmee naar een leeromgeving die in overeenstemming is met de beroepspraktijk en naar een onderwijscultuur waarin een afwisseling plaatsvindt van leren en onderwijzen, van beoordeeld worden en zelf beoordelen, van het zoeken naar de juiste vragen en het nemen van stelling.
Rotterdam
Voor opleidingen die zich bezighouden met ruimtelijk ontwerpen, is Rotterdam een stimulerende omgeving. Al sinds het begin van de twintigste eeuw is deze stad een centrum van moderne architectuur en stedenbouw, met een enorme aantrekkingskracht op vooraanstaande en/of experimentele en innovatieve bureaus die het Rotterdamse architectuur- en stedenbouwklimaat vorm en inhoud geven. Dat klimaat wordt gestimuleerd door de aanwezigheid van vooraanstaande, in Rotterdam gevestigde instituties op het terrein van architectuur en/of stedenbouw.
De vele spelers in het Rotterdamse architectuur- en stedenbouwveld zorgen ervoor dat in de regio een competitieve en stimulerende atmosfeer bestaat voor de beginnende professionals in beide vakgebieden. Binnen een dergelijke context kan ook het concurrency-model van de Academie maximaal tot haar recht te komen. Dankzij de aanwezigheid van een breed spectrum aan architecten- en stedenbouwkundige bureaus (en diensten) kunnen de studerende werknemers, afhankelijk van hun eigen leer- en ontwikkelingsperspectief, voor die werkplek kiezen die bij hen past of waar ze juist hun grenzen kunnen verleggen. Tegelijkertijd biedt de aanwezigheid van die bureaus de mogelijkheid vernieuwende, gedreven professionals aan te trekken als docent en, zodoende, de relatie van de Academie met de beroepspraktijken verder te verdiepen. Ditzelfde gebeurt ook middels de samenwerking met instituties als het NAi, AIR, dS+V en het Gemeentelijk Havenbedrijf.
Rotterdam is een optimale voedingsbodem voor architecten en stedenbouwkundigen door haar verscheidenheid in grondcondities voor architectuur en stedenbouw. De stad en haar regio vormen een geschikte laboratoriumsituatie om de relevantie van hedendaagse ontwerpen te ondervragen en in verband te brengen met het ruimtelijk ontwerpen. De keuze voor Rotterdam als object van studie en testterrein voor het ontwerpen is niet dogmatisch; als de Rotterdamse opgaven niet meer representatief zijn voor het spectrum van de architectonische en stedenbouwkundige beroepspraktijk, dan zullen opgaven ook voorbij de horizon van Rotterdam geprogrammeerd worden.
- Rooster
- Onderwijsprogramma
- Ateliers
- Semester 1
- Semester 2
- At 2.1 Techniek – Het Architectonisch Detail
- At 2.2 Object – Massa en Geometrie
- At 2.3 Materiaal - Moskee
- At 2.4 Tussenruimte – Stedelijk Ensemble
- At 2.5 Herstructurering of hergebruik: Wat gebeurt er in Crooswijk?
- At 2.6 Flexibiliteit – Tijdsbestendig Woongebouw
- At 2.7 Research – The Classical City
- At 2.8 Sustainability - Ecological Rurality
- At 2.9 Der Besuch der alten Dame
- VBJ 2 – Ontwerpatelier Architectuur
- Atelierprogramma
- Inleiding architectuur
- Colleges
- Laboratoria
- Praktijkdeel
- Afstuderen
- Extracurriculair
- Drempel- en voortgangsgesprekken
- Januariworkshop
- Ateliers
- Summer School
