Beoordeling studiedeel

Algemeen
Beoordelingscriteria studiedeel
Beoordeling ateliers
Beoordeling colleges
Beoordeling laboratoria
Beoordeling afstuderen

Algemeen
In algemene zin zijn alle leerdoelen van elke module direct afgeleid van de eindkwalificaties.  De beoordelingscriteria zijn vervolgens weer afgeleid van de leerdoelen. De opleidingscoördinatoren tonen elk jaar bij de samenstelling van het nieuwe curriculum aan dat alle eindkwalificaties in de diverse modules aan bod komen. De relatie tussen het doelstellingenkader en de eindkwalificaties zijn onderdeel van de moduleomschrijving en wordt in dit document ook naar de studenten gecommuniceerd. De opleidingscoördinatoren nemen het voortouw in de samenstelling van het doelstellingenkader op basis van die kwalificaties en specificeren die in relatie tot de onderwijsinhoud van elke module in de leerdoelen, die ieder jaar in de prospectus worden geformuleerd. In overleg met de opleidingscoördinatoren worden de leerdoelen door de docent in beoordelingscriteria getransformeerd, waarbij de docent een zekere vrijheid heeft om deze te modificeren. De docent kan bijvoorbeeld de doelen in de formulering ervan nog preciezer aan laten sluiten bij de onderwijsinhoud, de docent kan er prioriteiten in aanbrengen (of aan bepaalde aspecten meer of minder belang hechten) en de docent kan er uit de lijst met algemene beoordelingscriteria putten om het beoordelingskader te specificeren en aan te vullen. Deze lijst, die in de volgende paragraaf nader wordt besproken, is gemaakt door de opleidingscoördinatoren om een extra, nauwkeuriger en directer op ontwerpproducten gericht handvat te formuleren gezien het feit dat ontwerpproducten lastig te beoordelen zijn; d.w.z. de beoordeling van ontwerpwerk is lastig naar studenten toe te verantwoorden als deze is gebaseerd op hele generieke, wijdlopige en breed uit te leggen criteria. Ook de beoordelingscriteria worden vastgelegd in de moduleomschrijving waarover iedere student, die overweegt zich op de module in te schrijven, vooraf kan beschikken. In deze moduleomschrijving worden ook de verdere details van de toets en toetsvorm beschreven. DD DD    e meest geëigende vorm die past bij de inhoud van het studieonderdeel wordt bepaald in onderling overleg met de opleidingscoördinatoren.

Beoordelingscriteria studiedeel
De beoordeling van ontwerpproducten en producten die daarmee nauw samenhangen kent geen absolute maatstaven. Sterker nog, de beoordelingswijzen en de beoordelingscriteria zijn zelf ook weer onderwerp van studie en dispuut. Objectiviteit wil in deze situatie zeggen dat er sprake is van gedeelde subjectiviteit. Die is per definitie niet onpartijdig of neutraal, maar kan wel leiden tot herkenning, inzicht en begrip als het beoordelingskader gezamenlijk gedeeld wordt.
Omdat binnen de vakwereld naast het beoordelingsresultaat ook de beoordeling zelf permanent gewogen wordt, wordt een beoordeling door vakgenoten legitiemer bevonden en dan ook eerder geaccepteerd dan een beoordeling door niet vakgenoten. In feite is er sprake van een vorm van zelfregulering. Intern, maar ook extern in relatie tot niet-vakgenoten.

Ook al zijn de beoordelingscriteria duidelijk vastgesteld door opleidingscoördinatoren en docenten en zijn alle studenten daarvan op de hoogte, het uiteindelijke vastgestelde kwalificatieniveau uitgedrukt in een cijfer is minder absoluut dan het lijkt (5=onvoldoende, 6=voldoende, 7=ruim voldoende, 8=goed en 9=uitstekend). Want de ene 7 in een atelier is de andere niet. In de beoordeling van ontwerpwerk komt een scala aan ’kwaliteiten’ tot uitdrukking en deze komt tot stand door inbreng van diverse personen die diverse rollen hebben. Docentonafhankelijke beoordelingen zijn in feite ongewenst omdat studerenden duidelijk moet worden dat het beoordelingskader samenhangt met de ingenomen positie, rol, uitgangspunten en opvattingen van degene die beoordeelt. Daarin wordt bepaald welke verhouding er ten opzichte van welke context ingenomen wordt. Dat kan heel breed zijn en gaan over maatschappelijk engagement, of heel smal en beperkt tot de methodische kanten van het ontwerpen als middel van onderzoek.

Hierin speelt de docent de belangrijkste rol. Deze beoordeelt naast de kwaliteit van het product (tussen- en eindproducten) ook het proces en de mate van groei die de student heeft doorgemaakt; beide aspecten in relatie tot de beoordelingscriteria. Dit is cruciaal omdat er in ateliers een mix van studenten zit en de niveaus dus verschillen. De docenten worden daarover door de opleidingscoördinatoren voorgelicht. Dat betekent dus dat de kwaliteit van twee ontwerpproducten kan verschillen, maar een student toch hetzelfde cijfer krijgt, omdat van de één een hogere prestatie mag worden verlangd dan van de ander, of de één grotere leersprong heeft gemaakt dan de ander. Van studenten in een Masteropleiding wordt verwacht dat zij de achtergrond van hun becijfering ook in deze termen begrijpen. Om hierop zicht te krijgen komt dit aspect zowel in de evaluatieformulieren als in de voortgangsgesprekken uitgebreid ter sprake. Daaruit blijkt dat dit door de bank genomen, ook zo is; studenten hebben meer interesse in de geschreven beoordeling van de docent dan in het cijfer op zich. Studenten blijken in hun eigen beoordelingen over het algemeen tot dezelfde conclusies te komen  als die van de begeleiders en/of externen beoordelaars, hetgeen je van (beginnende) beroepsbeoefenaren ook mag en kan verwachten.

Naast de beoordeling in relatie tot het proces (waarin dus de mate van vooruitgang centraal staat) wordt ook het product en de presentatie beoordeeld. Hiervoor zorgen verschillende visiting critics die aanwezig zijn tijdens de (openbare) afrondingsbijeenkomst. Deze worden met zorg uitgezocht door docenten en opleidingscoördinatoren en vertegenwoordigen verschillende disciplines en relevante kennis om te kunnen beoordelen. Altijd zijn er ontwerpers aanwezig (en vaak is één van hen ook bij een tussenpresentatie aanwezig geweest), daarnaast worden ook (potentiële) opdrachtgevers, technici of critici uitgenodigd. Al het ontwerpwerk wordt in eenzelfde formaat tentoongesteld en de studenten presenteren hun atelierwerk voor hun panelen. Of dat ook op dat moment overtuigend is, hangt af van hun (verbale)presentatie. Dit is met name het aspect dat de visiting critics beoordelen. Ten slotte is de Academie vertegenwoordigd met twee stafleden. Zij leveren vooral bij de beoordeling achteraf input, zij beschikken over veel achtergrondinformatie van individuele studenten en over een algemene ervaring in het beoordelen van soortgelijke producten (en sturen soms aan op een hogere of lagere beoordelingskoers). Daarnaast houden zij in de gaten of het beoordelingskader goed wordt gehanteerd. De docenten stellen in principe een cijfer voor, stafleden en visiting critics kunnen daarop commentaar leveren.
Overal waar ontwerpproducten worden geleverd (dus ook bij het afstuderen en soms bij laboratoria) wordt dit systeem gehanteerd. Steeds ligt de nadruk bij de beoordeling op de mate van vooruitgang en daarnaast op de kwaliteit van het ontwerpproduct en hoe overtuigend deze kwaliteit door de student zelf naar voren kan worden gebracht. Daarnaast is er bij de totstandkoming van het cijfer altijd input van derden (naast de docenten) en opleidingscoördinatoren. Altijd wordt het commentaar naderhand schriftelijk aan de studenten overgebracht en tijdens de voortgangsgesprekken besproken met de opleidingscoördinatoren.

Algemene beoordelingscriteria studiedeel
Hieronder volgt een aantal brede algemene beoordelingscriteria, die van toepassing zijn bij beoordelingen op verschillende momenten in de opleiding: bij de afsluiting van verschillende onderwijsonderdelen, zoals ateliers en laboratoria, in het afstudeerproces en bij individuele gesprekken.
Afhankelijk van de aard van de beoordeling en de opgave wordt aan bepaalde aspecten meer of minder belang gehecht. Vooral in de ateliers en in de afstudeerfase hebben de docenten c.q. de afstudeermentoren/examinatoren de mogelijkheid om de beoordelingscriteria een bepaald gewicht toe te kennen. Zij die daarvoor kiezen moeten vooraf duidelijk maken welke beoordelingscriteria zij van toepassing achten.

Concept en conceptontwikkeling:
- De analyse en interpretatie van de opgave en de vertaling - in woord of beeld - in een ruimtelijke probleemstelling.
- De kracht van de uitgangspunten en observaties.
- De relevantie van de uitgangspunten en observaties.
- De consequente ontwikkeling van de ruimtelijke, formele, programmatische en technische uitgangspunten.
- De relatie van de uitgangspunten met een systematische, strategische analyse.

Planuitwerking, proces en procesontwikkeling:
- De ontwikkeling van de uitgangspunten in relatie tot het ontwerp.
- De ruimtelijke kwaliteiten.
- De synthese tussen programma, vorm en constructie.
- Een juiste en zorgvuldige inzet van middelen.
- Het vakmanschap en de vindingrijkheid waarmee van die middelen gebruik wordt gemaakt.
- Het besef en het expliciet maken van de methoden en technieken in de uitwerking en de materialisering.
- Het zelfstandig organiseren van het ontwerpproces, op het juiste moment de juiste beslissingen nemen.
- Reflecteren op de werkwijzen, de onderzoeksresultaten en de ontwerpen van anderen.
- Samenwerken, met inbegrip van overleggen, sturen, delegeren en volgen.

Presentatie en verantwoording van het plan:
- De beschouwer met het gevisualiseerde ontwerp overtuigen van de bedoelingen van de ontwerper.
- Verantwoorden (mondeling, schriftelijk en met beelden) hoe een plan, uitgaande van het concept, tot stand is gekomen.
- De persoonlijke referenties duidelijk maken.

Goede, overtuigende en inspirerende ruimtelijke oplossingen voor een opgave zullen afhankelijk zijn van de samenhang tussen de hierboven genoemde elementen. Een onderzoekende en kritische houding is daarbij onontbeerlijk. Het onderwijs aan de Academie richt zich op confrontaties met zo veel mogelijk verschillende methoden en technieken. Om in dat proces vooruitgang te boeken, moet de student bereid zijn om zijn/haar positie voortdurend ter discussie te laten stellen. In het algemeen is er waardering voor studenten die afwijken van gebaande paden en het experiment aangaan.
   
De samenhang tussen de hierboven genoemde elementen moet uiteindelijk duidelijk maken of voor de gestelde opgave een goede, overtuigende en inspirerende ruimtelijke oplossing is ontworpen. Als de student zich bewust is van wat hij of zij heeft gedaan - en op welke manier - levert dat niet alleen een bijdrage aan de ontwikkeling van een eigen houding. Als het goed is worden aan de student ook betekenisvolle uitspraken ontlokt over de relevantie van zijn of haar ontwerparbeid, over de bijdrage aan maatschappelijke of vakinhoudelijke discussies, en over de thema’s die in het project aan de orde zijn gesteld. Dit is met name van zwaarwegend belang in de discussie om aan een project in de afstudeerfase de kwalificatie ‘met lof’ toe te kennen.

Beoordeling ateliers
Binnen ateliers gebeurt het toetsen en beoordelen continu, aan de hand van het intensieve wekelijkse contact tussen docenten en studenten, tussentijdse presentaties en - aan het slot van het atelier - de eindpresentatie. Voorafgaand aan het atelier wordt vastgesteld welk niveau van kennis en vaardigheden de student moet bereiken, evenals de wijze van beoordeling en beoordelingscriteria. Bij de tussentijdse presentatie is, naast de docenten, tenminste één extern deskundige aanwezig die het werk kan beoordelen buiten de context van de Academie (de beroepspraktijk is voor de beoordeling van het niveau van de verworven beroepsvaardigheden immers het belangrijkste referentiekader). Ook neemt tenminste één opleidingscoördinator aan de toetsing deel.
De docenten geven altijd (of het atelier nu voldoende of onvoldoende is beoordeeld) een mondelinge en schriftelijke toelichting op de eindbeoordelingen, en soms ook op de tussentijdse beoordelingen. De becijfering en de mondelinge toelichting daarop wordt direct na afloop van de eindpresentatie gegeven. De schriftelijke toelichting volgt binnen 4 weken na de eindpresentatie en wordt naar iedere student verstuurd.
De afronding van een atelier wordt als voldoende beschouwd als het totaalcijfer hoger of gelijk is aan 5,5 en levert alleen dan 9 studiepunten op. Als studenten na de laatste tussenpresentatie met het atelier stoppen, zal het resultaat ook als “onvoldoende” in het cijferregistratiesysteem worden verwerkt. Staakt een student een atelier daarvoor dan zal het atelier als “niet afgerond” te boek komen te staan.
Een atelier moet binnen de vastgestelde tijd worden voltooid. Uitstel wordt alleen bij hoge uitzondering verleend, en alleen met toestemming van de atelierdocenten. Een verzoek om uitstel wordt alleen in behandeling genomen als de student dit schriftelijk - en uiterlijk twee weken voor het eind van het atelier - bij de examencommissie (zie Onderwijs- en examenregeling) heeft ingediend. Het verzoek moet zijn voorzien van een duidelijke opgave van redenen.
Het is dan uiteraard ook niet mogelijk om de eindpresentatie te herkansen. Wel kan het volgende semester weer met een nieuw atelier worden gestart. Een student heeft pas aan de atelierverplichtingen voldaan als er 54 studiepunten voor ateliers zijn behaald.
Studenten kunnen schriftelijk bezwaar aantekenen tegen de gang van zaken rondom beoordeling en toetsing van een atelier bij de examencommissie.
   
Beoordeling colleges
De afronding van colleges gebeurt meestal in verslagvorm (essays, besprekingen, interviews, beeldverslag et cetera), soms door middel van referaten, presentaties of discussies.
De beoordeling is in handen van de docent soms geadviseerd of bijgestaan door een opleidingscoördinator. De wijze van beoordeling en de beoordelingscriteria worden voorafgaand aan het college vastgesteld, evenals het kennisniveau dat de student moet bereiken. Beoordelingen worden zo veel mogelijk uitgedrukt in een cijfer maar het kan voorkomen dat er alleen ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ wordt gegeven.
De afronding van een college wordt als voldoende beschouwd als het totaalcijfer hoger of gelijk is aan 5,5 en levert alleen dan 1 of 2 studiepunten op. Als een student zijn of haar afwezigheid met opgave van reden meldt bij het studiesecretariaat, blijft het missen van één van de zeven, dan wel twee van de veertien colleges zonder gevolgen.
De docenten geven binnen vier weken na de vastgestelde inleverdatum van het eindproduct of laatste bijeenkomst een schriftelijke toelichting op de eindbeoordelingen.
Een college moet binnen de vastgestelde tijd worden voltooid. Uitstel wordt alleen bij hoge uitzondering verleend, en alleen met toestemming van de docent(en). Een verzoek om uitstel wordt alleen in behandeling genomen als de student dit schriftelijk - en uiterlijk twee weken voor het eind van het college - bij de examencommissie heeft ingediend. Het verzoek moet zijn voorzien van een duidelijke opgave van redenen.
Bij een krap onvoldoende eindresultaat kan de docent besluiten of de student met een aanvullende opdracht in aanmerking komt voor een herkansing. De aanvullende opgave en nieuwe inlevertermijn wordt door de docent bepaald.
Studenten kunnen schriftelijk bezwaar aantekenen tegen een de gang van zaken rondom beoordeling en toetsing van een college bij de examencommissie.

Beoordeling laboratoria
Bij een deel van de laboratoria wordt het eindresultaat steeds vaker gepresenteerd voor een kleine jury van docent, visiting critic en een opleidingscoördinator. De andere laboratoria worden afgerond middels een werkstuk of een verbale presentatie dat/die door de docent wordt beoordeeld.
Studenten die dat willen, kunnen een laboratorium meermalen volgen. Maar alleen als de inhoud wezenlijk verschilt van die van het eerder gevolgde laboratorium, worden hiervoor ook één of meer studiepunten toegekend. Studenten wordt aangeraden dit vooraf voor te leggen aan één van de opleidingscoördinatoren.
Voor een laboratorium worden 1, 1,5, 2 of 2,5 studiepunten verstrekt als de student een cijfer hoger of gelijk aan 5,5 heeft gehaald en voldoende aanwezig is geweest. Als een student zijn of haar afwezigheid met opgave van de reden meldt bij het studiesecretariaat, blijft het missen van één van de zeven, dan wel twee van de veertien laboratoriumbijeenkomsten zonder gevolgen.
Voorafgaand aan het laboratorium wordt vastgesteld welk niveau van kennis en vaardigheden de student moet bereiken, evenals de wijze van beoordeling en beoordelingscriteria. Beoordelingen worden zo veel mogelijk uitgedrukt in een cijfer, maar het kan voorkomen dat er alleen ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ wordt gegeven.
Een laboratorium moet binnen de vastgestelde tijd worden voltooid. Uitstel wordt alleen bij hoge uitzondering verleend, en alleen met toestemming van de docent(en). Een verzoek om uitstel wordt alleen in behandeling genomen als de student dit schriftelijk - en uiterlijk twee weken voor het eind van het laboratorium - bij de examencommissie heeft ingediend. Het verzoek moet zijn voorzien van een duidelijke opgave van redenen.
Bij een krap onvoldoende eindresultaat kan de docent besluiten of de student met een aanvullende opdracht in aanmerking komt voor een herkansing. De aanvullende opgave en nieuwe inlevertermijn wordt door de docent bepaald.
Studenten kunnen schriftelijk bezwaar aantekenen tegen een de gang van zaken rondom beoordeling en toetsing van een laboratorium bij de examencommissie.

Beoordeling afstuderen
De afstudeercommissie (bestaande uit 3 externe leden – de afstudeermentor en 2 externe deskundigen – en 2 interne leden – de voorzitter en de secretaris) beoordeelt het afstuderen. Met die beoordeling stelt zij vast of het project beantwoordt aan de algemene beoordelingscriteria. Ten tweede bepaalt de commissie of het project tevens beantwoordt aan de vooraf, specifiek voor het desbetreffende afstudeerproject opgestelde criteria. Deze specifieke beoordelingscriteria zijn afgeleid van de eindkwalificaties van de opleidingen tot architect of stedenbouwkundige. Uitgangspunt voor het afstuderen is dat minimaal 50% van de eindkwalificaties aan de orde komt in het individuele afstudeerproject. Dat is mogelijk omdat ze, samen met de in de rest van het binnen- en buitenschools curriculum verwezenlijkte eindkwalificaties, het gehele pakket aan eindkwalificaties van de opleiding tot architect of stedenbouwkundige dekken (de student is er zelf voor verantwoordelijk dat dit inderdaad het geval is). De keuze om minimaal 50% van de eindkwalificaties aan de orde te laten komen, biedt de student de mogelijkheid tijdens zijn of haar afstuderen een specifiek accent of specifieke specialisatie aan te brengen in zijn of haar professionele ontwikkeling. In het startdocument van het afstudeerproject wordt vastgesteld welke van de, in beoordelingscriteria vertaalde, eindkwalificaties voor het afstudeerproject gelden.
Tenslotte stelt de commissie vast of:
- het project is afgerond binnen de vooraf gestelde tijd;
- het project conceptueel krachtig en helder is;
- de analyse van de probleemstelling degelijk en overtuigend is;
- de oplossing van de probleemstelling ruimtelijk en methodisch overtuigend is;
- de architectonische of stedenbouwkundige middelen consequent en adequaat zijn ingezet;
- de eindpresentatie in woord en beeld kwalitatief op masterniveau ligt;
- duidelijk is geworden welke positie de student in het vak wil innemen.
De afstudeercommissie beoordeelt het afstuderen niet alleen, maar kwalificeert het ook. Goede, overtuigende en inspirerende ruimtelijke oplossingen voor een opgave zullen afhankelijk zijn van de samenhang tussen de hierboven genoemde elementen. Een onderzoekende en kritische houding is daarbij onontbeerlijk. Het onderwijs aan de Academie richt zich op confrontaties met zo veel mogelijk verschillende methoden en technieken. Om in dat proces vooruitgang te boeken, moet de student bereid zijn om zijn/haar positie voortdurend ter discussie te laten stellen. In het algemeen is er waardering voor studenten die afwijken van gebaande paden en het experiment aangaan. Afhankelijk van de kwaliteit van het afstudeerproject kan de commissie de volgende kwalificaties hanteren: ‘niet geslaagd’, ‘geslaagd’ of - als het afstudeerproject van uitzonderlijke kwaliteit is - ‘met lof’.
De kwalificatie ‘niet geslaagd’ betekent dat het afstudeerproject als onvoldoende wordt beoordeeld en dat de afstudeerder de opleiding dus ook niet heeft afgerond. De kwalificatie ‘geslaagd’ betekent dat het afstudeerproject in voldoende tot overtuigende mate aan de vooraf geformuleerde criteria voor het afstudeerproject (ook in onderlinge samenhang) voldoet en dat voor de gestelde opgave een goede, overtuigende en inspirerende ruimtelijke oplossing is ontworpen. De kwalificatie ‘met lof’ betekent dat het afstudeerproject in (zeer) overtuigende mate aan de vooraf geformuleerde criteria voor het afstudeerproject voldoet, met name ook in onderlinge samenhang, dat voor de gestelde opgave een uitstekende, zeer overtuigende en inspirerende ruimtelijke oplossing is ontworpen én dat het afstudeerproject, mede vanwege het feit dat de student zich bewust is van wat hij of zij heeft gedaan (en op welke manier), niet alleen een bijdrage levert aan de ontwikkeling van een eigen houding, maar dat er middels het project aan de student ook betekenisvolle uitspraken worden ontlokt over de relevantie van zijn of haar ontwerparbeid, over de bijdrage aan maatschappelijke of vakinhoudelijke discussies en over de thema’s die in het project aan de orde zijn gesteld.